| Uit
het dagboek van Jan Hendriks

18 september 1944
“Wat een hel is het vandaag geweest. Ik geloof niet dat ik deze
dag licht zal vergeten. Nu weten we pas echt wat oorlog en front betekenen.”
“Ergens in de buurt werd een licht kanon of mortier opgesteld.
Harde knallen begeleid door het blaffen van mitrailleeurs deden ons opschrikken.
Het leek of er voor de deur van ons huis een granaat werd afgeschoten.
Midden onder het schieten hoorden we mensen over straat lopen en even
later werd er op een toegangsdeur tot de kelder geklopt. Mijn vader maakte
open en er kwamen drie personen binnen. Het waren onze overburen. Mevrouw
Hendriksen, Danie en William.
Aangezien mijnheer Hendriksen, de bondbewerker (sic!), lid was van de
NSB bemoeiden we ons nooit met de ouders. Meneer was 14 dagen geleden
gevlucht naar Duitsland. Het was vervelend dat zij ook gekomen waren.
Nu kon je je eigen mening eens zeggen. Terugsturen konden we ze eigenlijk
ook niet, want het leek wel of de soldaten voor onze deur lagen.”
“Plotseling roken we brandlucht. We sprongen op. Mijn vader kalmeerde
ons met het voorwendsel dat het kruitdamp was die in de straten hing.
Ik geloofde er geen klap van. Mevrouw Hendriksen stormde naar boven, gevolgd
door mijn vader. De stank van de brandlucht werd erger. “Mijn huis
staat in brand”, schreeuwde mevrouw Hendriksen, en holde weer naar
beneden. De ogenblikken die toen volgden zal ik nooit vergeten. We hadden
de grootste moeite om een paniek te onderdrukken. Mijn grootmoeder gilde,
de baby’s schreeuwden en iedreen greep naar koffers en kleren. Dat
we ons huis moesten verlaten was een feit want ieder ogenblik kon de brand
overslaan. Waar moesten we heen?”
“Toen mijn vader het veilig achtte, liepen we hard naar het pakhuispoortje
met het witte laken en de sleutel om die te openen. Buitengekomen keek
ik naar brandende huis aan de overkant. Het dakkoepeltje stond in lichterlaaie.
De hitte was fel en er was een sissend geluid van een harde regenbui.”
“Ik liep door het gangetje terug en keek vanuit de deuropening
de straat op. De zolder van het huis aan de overkant stond in brand. Nu
er geen brandweer zou komen opdagen was er grote kans dat meerdere gebouwen
en misschien wel het gehele blok zou afbranden.”
“De Panden van Weetink en Wouters b randden nu ook al. Het was
te gevaarlijk om je op straat te begeven. Ik trok me weer in het gangetje
terug…”
“Voor we verder zouden vluchten, baden we eerst een rozenhoedje.
Zelden heeft dat ons op zo’n manier gesterkt als daar. Na afloop
ging mijn vader een paar keer buiten kijken. Ons huis brandde nog niet.
De brandende koepel van het huis tegenover ons was op straat gevallen.
Dat was een geluk bij al die ongelukken.”
“Tegen 9.00 uur stelde mijn vader voor de gevel ons huis nat te
gaan maken om zodoende te trachten die te behouden.”
“Het zeil in de slaapkamers werd door het gemorste water spiegelglad
en plotseling viel ik languit in het water. Ik had echter geen tijd om
me daar druk over te maken, want de brand sloeg over naar het dak van
het magazijn van Smarius, de meubelzaak. Het begon daar ook al fel te
branden…”
“Intussen was een kleine wagen van de brandweer gekomen met twee
slangen en een zestal brandweerlieden. De buurt begon gretig mee te helpen,
want het ene na het andere huis zou zonder blussen in brand geraken.”
“Plotseling een hevig geknetter. Ze schoten weer. Van schrik lieten
de blussers de spuit vallen en zochten dekking in de portieken van de
woningen. Dat gebeurde drie maal in een tijd van drie kwartier. Ten slotte
pakte een passerende geestelijke de slang uit de goot en hield deze vast.
Hij bluste de brand, ten minste zodanig dat uitbreiding in de In de Betouwstraat
werd voorkomen.”
Uit: Pianist in bevrijdingstijd. Getekend Dagboek over de periode 1 september-18
maart 1945. Jan Hendriks. Nijmegen, 2004.
Jan Hendriks woonde in een comestibleszaak aan het begin van de In de
Betouwstraat, grofweg waar nu Restaurant Italiano gevestigd is. Hij hield
een getekend dagboek bij waarin hij ook de 18e september beschrijft waarop
zich een van de roerigste stukjes geschiedenis van de In de Betouwstraat
afspeelde. Op die dag werden de panden op de hoek van de In de Betouwstraat
en Bischop Hamerstraat door brand verwoest.
Tegenover hem op de hoek van de Bisschop Hamerstraat (waar ook de banketbakkerij
van Weetink getroffen werd) waren gevestigd Bonthandelaar Hendriksen en
kleermaker Ernst. Het magazijn van Smarius was gevestigd in het pand waarin
nu Medibanda en Villa Lila gevestigd zijn. Aan de daklijst is nog goed
te zien dat het gebouw in de oorlog beschadigd is geweest. Na de oorlog
werd het dak gerepareerd en vestigde V&D er een noodwinkel. Nog weer
later opnieuw een meubelzaak van het wat chiquere soort Housestyling.
De zolderverdieping is nooit meer hersteld.
Helm de Laat
5 oktober 2008

Terug naar Geschiedenis
|