| Openingsrede
van Cees van der Pluijm

Uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling Boys & Soldiers
van Gerrit Jan Vos en Peter Colstee, 2 mei 2004 Villa Lila, Nijmegen.
SCHOONHEID WOONT VOORAL IN HET OOG VAN DE BESCHOUWER
Verstand hebben van kunst en goed kijken zijn twee verschillende
dingen. Om goed te kunnen kijken, hoef je niet de hele kunstgeschiedenis
van buiten te kennen, maar het kan soms wel helpen om te weten of te
beseffen wat je ziet. Want in ieder kunstwerk zie je alle voorgaande
kunstwerken. Soms staat een werk nadrukkelijk in een traditie, soms
breekt het even nadrukkelijk met allerlei tradities, maar altijd is
er een verbindingslijn.
Velen onder u zullen meer verstand van kunst hebben dan
ik. Menigeen zal beter kunnen kijken. U heeft dus een voorsprong op
mij. Maar op éen punt heb ik een voorsprong: ik mag vanmiddag
deze tentoonstelling openen, en ik beschouw dat als een eer.
Omdat ik zelf iets meer dan een handvol gedichten heb
geschreven, mag ik in Utrecht lesgeven aan de Hogeschool voor de Kunsten.
Ik begeleid daar studenten o.a. bij het schrijven van poëzie. Dankzij
de ontwikkelingen in het huidige middelbaar onderwijs, komen de meeste
van onze studenten zonder noemenswaardige literair-historische bagage
naar de opleiding. Onlangs hadden we weer een selectieweekend. Scholieren
die graag student willen worden, komen dan auditie doen. Het eigen werk
dat deze kandidaten meebrengen, is vaak zeer hilarisch. Poëtisch
zijn ze blijven steken, al is dat misschien niet eens het juiste woord,
in de jaren tachtig van de negentiende-eeuw, die puberteit van onze
moderne letterkunde. Ze schrijven impressionistische natuurlyriek, vermengd
met zwaar symbolistische zelfbeschouwingen. Ze zijn allemaal ongekend
eenzaam, barsten van hartstocht uit hun voegen, hun zielen zijn verscheurd
van verdriet, en verder is het een komen en gaan van wind, wolken, bomen,
waterpartijen en eindeloze verten.
Nu is het aardige van de literatuur dat de schier onbegrensde
vernieuwingsdrang van de beeldende kunsten eraan voorbijgegaan is. Natuurlijk,
de ene stroming is nog niet gearriveerd of de volgende verdrijft haar
al, maar tussen al dat gewoel door schrijven vakbekwame mensen doortimmerde
teksten, romans en gedichtenbundels, die wegens gebrek aan modegevoeligheid
nog jaren meekunnen.
Mijn studenten, die gefnuikte Tachtigers in de traditie van Perk en
Kloos, vragen zich koortsachtig af wat hun stijl moet zijn. Ze krijgen
uit de media mee dat de kunst zich eindeloos moet vernieuwen, maar ze
hebben geen flauw idee welke kant ze op moeten kijken. Ik volsta er
doorgaans mee ze te leren dat je in een tekst je emoties niet benoemen
moet, maar dat je ze moet verbeelden. Dus niet meer schrijven over je
radeloze ziel die droefgeestig door het zompige zwerk zweeft, vertwijfeld
hunkerend van wanhoopszwanger verlangen naar de mateloze einder van
het geluk –, maar gewoon schrijven over een vuilniszak die in
de regen langs de straat wordt gezet door een man met een haarstukje.
Zoiets. Als ze dat kunnen, kunnen ze alles. Dan kunnen ze zich afzetten
tegen mij, tegen hun voorgangers, tegen elkaar, en zeker en vast vinden
ze vandaag of morgen een eigen stijl.
Vaak ben ik blij dat mijn studenten geen beeldende kunstenaars
zijn. Je zult toch je eigen weg moeten vinden in een verwilderd woud
van vernieuwingsdrift waar je na Mondriaan en de conceptuele kunst de
ene neo-stijl na de andere tegenkomt, met even felle aanhangers als
vurige bestrijders. Je zult je toch zinvol willen verhouden tot de wereld,
maar afgerekend worden op het minimalisme van je concept of op het concept
van je minimalisme. Je zult toch kunst moeten maken die alleen nog over
de kunst van het theoretiseren over kunst gaat…
Wat was dat vroeger anders. In de renaissance van onze
cultuur bij voorbeeld, zo’n 500 jaar geleden, had je slechts de
volmaaktheid van de schepping uit te beelden en de wonderwerken Gods
te tonen, Hem ter ere, en in opdracht van de keizer of de Paus. Kunstenaars
waren vaklieden die een ambacht hadden geleerd, die de technieken van
het verfmengen mochten perfectioneren, die het perspectief mochten uitvinden
en die het mooie en het goede mochten uitbeelden, voor God en de mensen.
Dat is voor hedendaagse kunstenaars niet meer denkbaar.
Mijn studenten, hoe weinig geleerd en bewust van de traditie ze ook
zijn, leven in een wereld die hun grote zorgen baart, een wereld die
niet uitdaagt het schone en het goede te tonen. Ze leven in een verscheurde
wereld, en hier, in Nederland, hebben ze in die twintig jaar dat ze
leven al grote veranderingen waargenomen in omgangsvormen, in tolerantie,
in hoop op een goede toekomst, in oorlogsdreiging en vredesverwachting.
En daar zien we het dilemma: waar vind je woorden, beelden,
kleuren, vormen, klanken om in een vorm van nu uit te drukken wat van
deze tijd is? Hoe kun je eenheid brengen in een kunstwerk terwijl de
wereld om je heen eindeloos gefragmenteerd is en steeds meer uiteen
lijkt te vallen?
In wat mijn studenten schrijven en in wat ik almaar meer
bij beeldende kunstenaars zie, meen ik waar te nemen dat er steeds minder
gepoogd wordt te zoeken naar synthese, naar een wereld die klopt, naar
een beeld waarin het goede en het schone uit de realiteit bijeenkomen.
Kunst en ideologie, ze lijken verder uit elkaar gegroeid dan ooit.
Toch gaan de kunstenaars door met het maken van kunst.
En waar ze vaak geen zicht meer bieden op een hopeloze maatschappij,
waar ze ons geen spiegel meer voorhouden van een samenleving waarin
de deelnemers steeds minder met elkaar lijken te delen, ontstaat een
nieuwe introspectie. Niet de buitenwereld wordt gespiegeld, maar de
binnenwereld. Kunst is geen vergrootglas meer voor een Idee met een
hoofdletter, of voor een element uit de werkelijkheid waarvan we ons
bewust moeten worden. Kunstenaars kijken steeds meer naar binnen, wenden
zich af van de wereld en de werkelijkheid, en creëren hun eigen
werkelijkheid. En daarin is weer plaats voor Schoonheid.
Ik gebruik dat woord met schroom, want hadden de Tachtigers
in onze literatuur daar niet ook de mond van vol? Schoonheid, schoonheid
heeft de vorige eeuw talloze malen haar gezicht verbrand, zoals de dichter
Lucebert het formuleerde, maar ik voorzeg u – voorwaar voorwaar
ik zeg u – het mooiïsme is op komst. Of u het nou neo-estheticisme
wilt noemen, mooiïsme of iets anders, schoonheid komt in toenemende
mate haar plaats opeisen in een wereld waarin afzichtelijkheid, verdorvenheid
en ideeënloos dogmatisme om voorrang strijden.
Kunstenaars zullen ons de komende decennia steeds meer
gaan wijzen op de beelden in hun hoofd, de dromen, de fantasieën.
En ik voorzeg u dat er ook in toenemende mate weer plaats gaat komen
voor vakmanschap.
Nou, fraaie bespiegelingen zult u denken, mooie overwegingen
voor een zondagmiddagpreek, maar kom eens terzake. Wat heeft dit allemaal
met deze tentoonstelling te maken? U heeft gelijk en u bewijst daarmee
dat u inderdaad meer verstand van kunst heeft dan ik.
Wat zien we hier vanmiddag? Twee kunstenaars die op het
oog zeer uiteenlopend werk maken. Toch is een zekere eenzijdigheid aan
deze tentoonstelling niet te ontzeggen. Villa Lila heeft opeens iets
weg van een cafetaria, en dan wel een cafetaria met een beperkt assortiment.
Zéer beperkt: want we zien uitsluitend, al of niet achter glas,
hele en halve haantjes… een enkele frikadel daargelaten.
We zien mooie jongens, we zien soldaten, we zien architectuur
en historie, maar vooral zien we mannelijkheid, in allerlei facetten.
We zien twee kunstenaars die er niet op uit zijn de maatschappij een
spiegel voor te houden, een ideologie te verkondigen of te bekritiseren,
maar die ons een kijkje gunnen in hun hoofd. We zien twee kunstenaars
die op zoek gaan naar hun particuliere vormen van schoonheid, een schoonheid
die zich lijkt af te wenden van de gebroken wereld waarin we leven.
Tegelijkertijd is het een broze, breekbare schoonheid die ons getoond
wordt. Jongens zo mooi als bij Peter Colstee bestaan amper. Ja, u en
ik, wij waren zulke jongens; en soms zien we ze nog wel, in het voorbijgaan,
maar als je twee keer met je ogen knippert, zijn het grijzende middelbare
heren geworden, met buikvorming en haren op hun neus en ingegroeide
teennagels.
Ook de kijkkistjes, de diorama’s van Gerrit Jan Vos tonen een
breekbare, niet bestaande maar zorgvuldig geconstrueerde binnenwereld;
we herkennen de elementen en we zien dat ze zo bijeengebracht een nieuwe
werkelijkheid vormen, de schoonheid uit het hoofd van Gerrit Jan Vos.
Schoonheid dus, maar niet de pathetische, op de buitenwereld
gerichte, stormachtige schoonheid van de Tachtigers en van mijn aanstaande
studenten. Eerder zien we hier een koele, afstandelijke, ons enigszins
buitensluitende schoonheid. We kunnen Colstees jongens niet aanraken,
en de driedimensionale opstellingen van Vos staan letterlijk achter
glas. Daarmee bieden ze een schoonheid die niet helemaal van deze wereld
is, maar ook een die herstelt wat we in de samenleving missen. We zien
nieuwe werkelijkheden, in groot contrast met de werkelijkheid waarin
wij leven.
Daarmee zijn het ook droombeelden, de werken van Colstee
en Vos, dromen gebaseerd op elementen uit de werkelijkheid, die zicht
bieden op een nieuwe harmonie. Want de soldaten van Vos lijken niets
met oorlog te maken te hebben, niets met de maatschappelijke realiteit.
Ze scheppen hun eigen realiteit, net als de jongens van Colstee.
Als er iets is wat deze twee kunstenaars gemeenschappelijk
hebben in hun droombeelden, dan is dat het verlangen; geen verlangen
naar reële soldaten of verleidbare jongens, geen verlangen naar
het tastbare vlees, maar een mysterieus vervreemdend verlangen naar
het ongrijpbare, het onaanraakbare van de ware schoonheid. Een schoonheid
die zichtbaar wordt in de spanning die we voelen bij de kijkjes in de
innerlijke wereld van de kunstenaars, verbeeld met vakmanschap en passie,
hoe vervreemdend en verstild die passie ook geworden lijkt.
Goed, ik vertel u dat nu allemaal wel, maar u kunt het
zelf zien, en waarschijnlijk ziet u het beter dan ik. Want ik heb geen
verstand van kunst en feitelijk zie ik alleen wat ik zo graag wíl
zien. Schoonheid woont vooral in het oog van de beschouwer. Ik zou zo
graag die heelheid zien, die harmonie, die schoonheid die we in de realiteit
steeds sterker moeten ontberen. U ziet er vast weer wat anders in: de
Europese eenwording, het deportatiebeleid van minister Verdonk, de huwelijksreis
van Mabel en Johan Friso…

Ik had het even over de schoonheid van mooie jongens en
spannende soldaten in het echt, die je ontglipt als je twee keer met
je oogleden knippert. Dat gaat met kunst haast altijd zo. Als je twee
keer knippert, zie je weer iets anders. Ik wil daarom graag afsluiten
met een gedicht waarin het proces van scheppen en kijken, en daar hebben
we het vanmiddag toch over, waarin het proces van scheppen en kijken
samenvalt; het is van Martinus Nijhoff en het heet:
HET KIND EN IK
Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos
Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.
Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.
Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.
En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.
En hiermee verklaar ik de tentoonstelling Boys & Soldiers van Gerrit
Jan Vos en Peter Colstee voor geopend.
zie ook: www.vanderpluijm.demon.nl

Terug naar "Boys en Soldiers"
|