| Openingswoord Expositie Peter
Colstee
22 april 2007
Een paar maanden geleden werd het boek “De ontdekking van de hemel”
van Harry Mulisch uitgeroepen tot het beste boek aller tijden. Naar aanleiding
daarvan heeft het Gelderse COC-tijdschrift “Pink&Zo” een
aantal holebi’s naar hun voorkeuren gevraagd.
Het zal niet verbazen dat ho’s van mijn leeftijd allemaal melden
Gerard Reve ooit verreweg de beste schrijver van het land gevonden te
hebben. Maar velen melden ook de latere Reve om het diplomatiek te zeggen
“minder” te vinden. Reve heeft ook mij begeleid op mijn reis
door mijn jonge jaren.
Het boek “Nader tot U” had ik bij me toen ik in 1970, 16
jaar oud, Rome bezocht. Tijdens dit schoolreisje verbleven we in het klooster
San Gregorio al Coeli waar ik in de fraaie bibliotheek mijn medeleerlingen
de homoseksueelste passages voorlas. Een klasgenote speelde op de vleugel
“Let it Be” van de Beatles. En zo werd mijn eerste coming
out goedkeurend begeleid.
Later die week werd ik op de Spaanse trappen voor het eerst versierd
en wel door een Italiaanse student economie die me enkele dagen onder
zijn hoede nam. Toen ik enkele dagen later moe maar voldaan weer opdook
in het klooster werd ik hardhandig teruggeduwd in de kast door de vreselijk
geschrokken en nu woedende leraren. Thuis wachtte gelukkig dat andere
beroemde brievenboek om me weer op het rechte pad te krijgen: “Op
Weg naar het Einde”
Met Reves “De Taal der Liefde” dat in februari 1972 verscheen
beleefde ik mijn tweede coming out door tijdens het eindexamen dat jaar
mijn opstel Nederlands te wijden aan het belang van dit boek en het andere
hier genoemde werk van Reve voor de ontdekking en vormgeving van mijn
eigen homoseksualiteit. Ik behaalde er een prima cijfer mee en een prijs
van de provincie Noord Brabant.
Wie zo opgroeit, kan niet toetreden tot het koor van lieden die roepen
dat Reve na De Taal der Liefde niets meer van waarde heeft geschreven.
Maar ik moet wel toegeven dat de tijd dat ik elk jaar de drie hier genoemde
boeken herlas echt voorbij is. En het is ook goed dat we de helden van
onze jonge jaren ontgroeien.
Er is echter een schrijver –ook een held uit die vormende jaren-
die ik vreemd genoeg nog wel herlees en met steeds meer waardering.
Het gaat om de dichter Konstatin Kaváfis (29 april 1863- 29 april
1933). Deze dichter woonde vrijwel zijn hele nogal onopvallende leven
in Alexandrië (Egypte) waar hij in het Grieks gedichten schreef die
hij heel soms publiceerde in literaire tijdschriften maar meestal gedrukt
op losse blaadjes (feuilles volantes) verstuurde naar belangstellenden.
Portret van Kaváfis.
Tot die belangstellenden behoorde ook een Nederlandse classicus. In die
tijd was hij leraar klassieke talen aan het gymnasium in Alkmaar. Later
zou hij professor worden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde
o.a. over een oud-grieks dialect op Corsica en het leven van de Byzantijnse
prinses Anna Komnena. Werk dat nu al vrijwel vergeten is. Maar zijn naam
Gerard Hendrik Blanken (25 juni 1902- 22 oktober 1986) zal altijd onlosmakelijk
verbonden zijn met de Nederlandse perceptie van Kaváfis.
Blanken studeerde Nieuwgrieks bij Professor Hesseling en in 1924/5 kreeg
hij van zijn hoogleraar een stel samen geplakte blaadjes waarover Hesseling
opmerkte: “Dit wordt me toegestuurd uit Alexandrië; ik begrijp
er niet veel van, en wat ik begrijp is me anti pathiek”. Hoe Blanken
vervolgens in die betrekkelijk kleine kring van belangstellenden terecht
is gekomen, heb ik niet echt kunnen achterhalen. Maar wellicht is zijn
verblijf in Athene 1928/29 ermee in verband te brengen. Blanken vertelt
overigens dat toen hij in die jaren in Athene van zijn bewondering voor
Kaváfis blijk gaf dat vooral verbazing wekte.
Hoe dat ook zit. Blanken moet heel wat van die poëtische pamfletjes
verworven hebben want hij was de eerste die na de dood van de dichter
al in 1934 een bundeling van 25 van diens gedichten publiceerde. Hij vertaalde
het werk zelf. Stel je bij bundel niet te veel voor: het was een gecyclostyleerde
uitgaafje in een oplage van 100 (hors commerce). Niemand weet nog wat
gecyclostyleerd is. Het uitgaafje is al even obscuur. Het werd niet eens
in de handel gebracht.
Maar het werd kennelijk wel bij de juiste mensen uitgezet want o.a. in
het beroemde en zeer invloedrijke tijdschrift Forum publiceerde Blanken
datzelfde jaar enkele van zijn vertalingen. In het bundeltje van 1934
en in Forum ontbraken de homo-erotische gedichten.
Kaváfis brak pas door als dichter rond 1900, hij was toen al bijna
40 jaar oud –heel oud voor een dichter- en hij meende zelf pas in
1910 zijn eigen stem gevonden te hebben –en dat is zeer ongebruikelijk
in de poëzie-. Hij heeft weliswaar altijd zijn homo-erotische lier
gehanteerd, maar niet altijd in het openbaar en we moeten even in gedachten
houden dat het woord homoseksualiteit voor 1900 nauwelijks uitgevonden
was. Pas in de vroege jaren van de twintigste eeuw en dan nog alleen in
wetenschappelijke en hogere maatschappelijke kringen was homoseksualiteit
mits correct gecodeerd een thema waarover men het stilzwijgen mocht verbreken.
Althans een beetje. Kaváfis heeft zich meestal aan die code gehouden
zonder nu meteen een geheim te maken van zijn erotische voorkeur maar
die ook niet van Alexandrijnse daken geschreeuwd.
In 1955 publiceert de Stichting De Beuk een nieuwe bundeling, nu van
vijftig gedichten. Blanken schrijft in de inleiding bij deze bundel wel
over de homo-erotische aspecten in de poëzie van Kaváfis en
in de bundel staan nu ook een paar erotische verzen maar dan wel de heel
omfloerste. In 1962 worden 100 gedichten gebundeld en daarin worden voor
het eerst de openlijk homo-erotische gedichten gepubliceerd.

Handschrift van de dichter Kaváfis.
Een generatie homoseksuele vertalers uit een later tijd (1987) –ik
doel hier op mensen als Mario Molegraaf en Hans Warren- hebben in hun
ijver om de noodzaak van weer een nieuwe Kaváfis vertaling aan
te tonen de hetero Blanken verwijten gemaakt die heel anachronistisch
zijn. En als het erom gaat dat Blanken de homo-erotische aspecten van
het werk zou hebben verdoezeld dan heeft Hans Warren de waarheid wel erg
naar zijn hand gezet.
Zowel bij de uitgave uit 1955 als die van 1962 was de latere legendarische
uitgever Johan Polak (12 november 1928-25 mei 1992) betrokken. Aan Blanken
en aan hem is het te danken dat we in Nederland beschikken over een van
de beste, want bijna volledige en zeker de fraaist uitgegeven editie van
het verzameld werk van deze dichter. Het gaat hierbij om volstrekt tijdloze
gedichten die nog net zo tot mijn verbeelding spreken als toen ik ze voor
het eerst las in 1974 (nota bene in het Engels). De drie fraaie banden
waarin Johan Polak het werk tussen 1977 en 1980 uitgaf hebben nu een ereplaats
in mijn boekenkast.
In de poëzie van Kaváfis gaat het om een drietal thema’s:
de historie en de onomkoombaarheid van het lot, het homo-erotisch verlangen
en de eenzaamheid en ten slotte ook het maken van kunst en de betekenis
van het kunstenaarschap. Het allerbelangrijkste motief bij deze thema’s
is steeds de herinnering. En die herinnering is altijd weemoedig gekleurd:
melancholie.

Aartsbisschof Christodoulos bezoekt het huis van Kaváfis
waar nu een klein museum is ingericht.
Wellicht is het dat motief en mijn eigen ouder worden dat me deze gedichten,
die in mijn jonge jaren al zo belangrijk waren, met een steeds dieper
begrijpen doen lezen en waarderen.
Gezien de thema’s van Kaváfis is het niet verwonderlijk
dat zijn poëzie enorm tot de verbeelding is blijven spreken. Steeds
weer nieuwe generaties kunstenaars hebben zich door het werk van Kaváfis
laten inspireren. Dat geldt ook voor Peter Colstee. En ieder die het werk
van Peter kent weet dat het vooral het homo-erotische aspect van de poëzie
is dat hierbij een rol speelt. Maar het is aan Hank en Harry Gulickx Burg
van de in Arnhem gevestigde Galerie De Buytensael te danken dat Peter
hier vandaag een heel nieuw aspect van zijn werk toont. Zij immers hebben
hem op de idee gebracht om collages te gaan maken en deze vormvernieuwing
werpt onmiskenbaar fraaie vruchten af. Het COC Rotterdam mag er terecht
erg trots op zijn dat ze dit nieuwe werk hier presenteert.

Collage Peter Colstee, "Misleidend"
Tot slot natuurlijk een gedicht van Kaváfis.
Dit gedicht, dames en heren, is geschreven in 1908 en werd pas in 1963
gepubliceerd. Ik geef het u in de vertaling van Professor Blanken.
“Wat verborgen is
Uit alles wat ik heb gedaan en heb gezegd
moeten ze niet proberen uit te vinden wie ik was.
Er was een hindernis en die vervormde
mijn handelingen en mijn levenswijze.
Er was een hindernis en die weerhield me
heel dikwijls, als ik mij uit ging spreken.
Mijn meest onopgemerkte handelingen
en de geschriften van me, die het meest verhuld zijn-
daaruit alleen zal ik begrepen worden.
Maar misschien heeft het ook geen zin om er
zoveel zorg en zoveel moeite aan te besteden
om mij te kennen. Later –in een volmaakter maatschappij-
zal ongetwijfeld eens een ander, ingesteld als ik,
te voorschijn komen en handelen in vrijheid.”
Deze laatste woorden, dames en heren, zijn Peter Colstee op het lijf
geschreven en met die opmerking verklaar ik deze expositie voor geopend.
Helm, 22 april 2007
Vlnr: Helm de Laat, Peter Colstee en voorzitter COC Rotterdam
Bram Anker.
Loekie Harder (links) en Mieke ter Wengel (rechts)
(Expositiegroep op werkbezoek Bij de Witte Muur).
In het midden Peter Colstee met op de achtergrond enkele van zijn schilderijen.
Foto's: Herman van der Plas en Jaap Scheffer.
Meer foto's: www.cocrotterdam.nl.
Terug naar "Laatste Nieuws"
|